aanhalingstekens-maus-bullhorst-ongekunsteld

‘Over aanhalingstekens, tussen aanhalingstekens’

Maar, hoewel, toch, echter. De kanttekening lijkt met een minderwaardigheidscomplex te kampen. Het zal door dat woord ‘kant’ komen. Of het nu gaat over een voetbalveld of een dolle discotheek, met lieden langs de lijn heb ik altijd een beetje te doen. Dat complex heeft zijn weerslag ook op hetgeen aan die kanttekening onderhevig is. Wanneer je zegt: ‘Op deze straat staat een stoplicht, toch wil ik daar mijn kanttekeningen bij plaatsen’, weet je dat of de ‘straat’ of dat ‘stoplicht’ zijn bestaan niet zeker is. De ultieme manier om je twijfel te botvieren – op het woord, de zin of gedachte die op het punt staat uitgesproken te worden en bovendien elke maar, hoewel, toch of echter binnen de context van twijfel omvat – is het gebruik van het aanhalingsteken.

FUNCTIE 1

Laat je niet misleiden door hun onschuldige voorkomen; twee jolige streepjes kunnen van enorme impact zijn, zoals een pasgeboren baby met gemak (en plezier) een altijd zo stabiel huwelijk naar de gallemiezen kan helpen. Wanneer iemand zijn eigen naam tussen aanhalingstekens zet, weet je dat de persoon in kwestie van het onzekere soort is, of een poging doet zijn eigen persoon door middel van ironie wat te relativeren; neem het allemaal maar niet zo zwaar.

FUNCTIE 2: ‘GOD’

Het aanhalingsteken mag niet verward worden met de apostrof, die ondanks zijn mooiere naam een praktischer taak heeft: het weglaten van woorden. ’s Morgens is een stuk compacter dan Deze morgen. Het aanhalingsteken heeft naast het ironisch uitdrukken en het in twijfel trekken van een woord meer functies, met het aangeven van een citaat als meest voorkomende. De Nederlandse Taalunie erkent dat het aanhalingsteken gebruikt wordt om ironie aan te geven, maar raadt het om mysterieuze redenen af, daar het waarschijnlijk gemakkelijk door elkaar gehaald kan worden met zijn meest dominante functie: het citeren. Voor je het weet, trek je bijvoorbeeld God nietsvermoedend in twijfel terwijl je hem slechts wilde aanhalen; een goed christen brandt zijn vingers niet aan zulk een gevaarlijk leesteken (en laakt doorgaans elke grap).

Of het in twijfel trekken gelijk staat aan ironie, of ironie gelijk staat aan relativering, of de kanttekening gelijk staat aan twijfel en relativering en of het aanhalingsteken gelijkstaat aan de kanttekening blijft twijfelachtig. Raakvlakken kunnen echter niet worden ontkend.

Beeldend op papier en theatraal in de mondelinge uitleg; twee gekromde vingers in combinatie met een hoofd dat duidt op een wij begrijpen elkaar, en je weet meteen dat jullie elkaar inderdaad begrijpen in het niet begrijpen. Op deze straat staat een ‘stoplicht’.

FUNCTIE 3: O, GOD! (EEN BEKNOPTE LITERAIRE GESCHIEDENIS)

Een derde functie is het uitdrukken van abstractie. Hier wordt het ingewikkeld, daar het aanhalingsteken wel vervangen wordt door de apostrof, zij het de apostrof als stijlfiguur. De literaire oorsprong van deze stijlfiguur, wat betreft het aangeven van abstractie, is net zo theatraal als de manier waarop we hem mondeling gebruiken. Ten tijde van Homerus en Anthony Christiaan Winand Staring was het aanhalingsteken nog een ‘O’. Toon ons uw luister, o zilveren maan! (uit het gedicht Aan de maan van A.C.W. Staring). De O geeft de abstractie van het daaropvolgende begrip aan, en op die manier kan de verteller laten blijken dat hij of zij heus wel begrijpt dat je geen gesprek met de zilveren maan kunt voeren. O liefde, O God. Het geeft uitdrukking aan een onbereikbaar verlangen en heeft in die zin overeenkomsten met het aanhalingsteken. Beide trekken het woord dat tussen de de streepjes staat in twijfel. De O heeft in dit geval niet de functie van het citeren, noch die van ironie. Homerus bedoelde zijn zielenkreten vast niet lollig, net zoals ‘Op deze straat staat een “stoplicht”‘ dat in principe ook niet is. Toch heeft dit soort lyriek vaak een komische uitwerking; neem het allemaal niet te zwaar.

De ‘O’ werd vervangen door het aanhalingsteken, dat ‘toch wil ik daar mijn kanttekeningen bij plaatsen’ overbodig maakt.

VOLGENS MIJ IS HET EEN STOPLICHT

Op deze straat staat een ”stoplicht”. Het zal iets zijn wat voor een stoplicht door kan gaan, maar is duidelijk anders dan het autoritaire groen, oranje en rood waar we doorgaans naar luisteren. Ik waan me direct op een Afghaanse zandvlakte, waar men een tak in de grond stak, besmeurd met drie kleuren verf. Afghanen bepalen zelf wel of ze gehoorzamen ja of nee.

Misschien is het ”stoplicht” ook wel een overhoop gereden paal in de binnenstad van Rome. Daar laten ze zich gekleurd licht aan de kant al helemaal niet bepalen wanneer, en hoe hard te rijden. Alles duidt op een ”stoplicht” van het twijfelachtige soort, voor Homerus was die waarschijnlijk net zo abstract als ”De Zilveren Maan” voor ons allemaal. Misschien moeten we zijn bestaansrecht sowieso maar opheffen.

Ontvang onze nieuwsbrief

Ben je het oneens met de schrijver of heb je een interessante toevoeging?

Schrijf je artikel!

Wees niet bang:
Je wordt goed begeleid door de eindredactie. Bovendien krijgt je artikel een visuele prikkel van onze beeldredactie.